maandag 14 juli 2014

Stoeien met taal: het 'Cocboeck' uit 1593

Het Cocboeck is het eerste Nederlandstalige kookboek dat in ‘Nederland’ is gedrukt, in 1593 Dordrecht en daarna in Amsterdam.
Een prachtig kookboek van Zuid-Nederlandse oorsprong met bijna 300 keukenrecepten.
Lastig lettertype, lastig taalgebruik, want veel onbekende woorden. Neem maar een woord als ‘sieden’, dat is koken. Zeker in tijden van voetbal zijn velen van ons nog wel eens ‘ziedend’ van woede …
Dit Cocboeck wil ik graag toegankelijk maken voor ieder die van koken houdt en van culinaire geschiedenis.

Hoe doe je dat?
Niet eenvoudig. Je leest dan die gotische letters in de tekst en je schrijft die in letters die wij tegenwoordig kunnen lezen, rijgsnoeren van woorden, zinnen. Maar dan zijn die woorden nog steeds niet altijd begrijpelijk. Bijvoorbeeld woorden en woordgroepen als: ‘stekebesy’, ‘harst’, ‘tazey’, ‘bruet fuleet’, ‘huysenblas’, ‘carpie’, ‘sausse picquet’, ‘rastoenspijse’, 'hoerendreetkens' en ‘borbonoysche spijse’.

Een tweede vertaalslag: de hertaling. Dan wordt het spannend: stoeien met taal! Het Woordenboek der Nederlandsche Taal  biedt een schatkamer aan woordverklaringen. Maar je kijkt ook naar bronteksten, recepten uit vroegere tijden. Want je wilt als tekstbezorger graag het recept reconstrueren, maakbaar maken voor de lezer van nu. Maar dan wel met behoud van oorspronkelijkheid. Dat valt niet altijd mee. Voor dit Cocboeck is een Zuid-Nederlands handschrift uit de 16de eeuw als een van de bronnen aan te wijzen (UB Gent 476). Daarvan is in 1989 een teksteditie bezorgd door Ria Jansen-Sieben en Johanna Maria van Winter.
Ik geef een voorbeeld van dit vertaalproces, het recept van ‘Eenen snoeck te sieden op Duytsch’.
(in: Cocboeck van Carel Baten, Dordrecht 1593, fol. 12)

Eenen snoeck te sieden op Duytsch
(ex. Bijzondere Collecties van de UvA, sign.OTM: KF 62-189)


Eenen snoeck te sieden op Duytsch
(diplomatische transcriptie door Marleen Willebrands)

Neemt den Snoeck / doet hem levendich op /
laet het Hooft heel / ende wascht hem schoon / legt
hem terstont in Wijn-azijn of anderen stercken
Azijn / hangt eenen ketel waters over het vyer
wel ghesouten, laet hem in de sode comen / doeter
dan terstont den Snoeck met den Azijn in / laet
hem sterck sieden / ende schuymt hem schoon / ende
doet hem dan heet sonder sop in een schotel / ende
dient hem heet / set Azijn ende Gengeber in Sau-
cierkens tot sause. Of wilt ghy so moechdy an-
der sausse maken / neemt Wijn / Suycker / Caneel /
Gengeber / ende Soffraen / latet samen op sieden /ende
settet in Saucierkens / of gietet op den Snoeck /
dienet ter Tafel.

In hertaling:
Snoek koken op zijn Diets
Neem een levende snoek en dood hem, maar laat de kop heel. Spoel hem schoon en leg hem direct in wijnazijn of andere sterke azijn. Hang een ketel met royaal gezouten water boven het vuur en laat aan de kook komen. Doe direct de snoek erin met de azijn. Laat hem flink koken onder goed afschuimen. Leg hem dan warm in een schotel zonder het kookvocht en dien warm op. Zet azijn en gember in sauskommetjes erbij als saus.
Of maak desgewenst een andere saus. Neem [daartoe] wijn, suiker, kaneel, gember en saffraan, en laat alles opkoken. Doe die in sauskommetjes of giet het over de snoek en dien op.

Recept
Een uiterlijke structuur van het recept is er niet of nauwelijks: geen lijst van ingrediënten met daarna de instructie welke handelingen je achtereenvolgens moet uitvoeren om het doel te bereiken.
Dat komt ook door de nevenschikkende stijl: de informatie wordt weergegeven in korte hoofdzinnen die verbonden worden door het nevenschikkend voegwoord ende en maer. Dat geeft een saai effect: de kinderachtige 'en toen-stijl'. Wel is het voor de lezer snel te begrijpen. Maar: niet makkelijk te doorzien, want alle stappen staan op hetzelfde niveau (gelijkschakelend verband), en je ziet als lezer niet het verschil tussen hoofdhandeling en deelhandelingen.
In de vertaling doorbreek je die onduidelijkheid door gebruik te maken van onder meer beknopte bijzinnen. In de zeventiende eeuw verdwijnt die nevenschikkende stijl om plaats te maken voor constructies die op Latijnse leest zijn geschoeid, zoals beknopte bijzinnen en deelwoordconstructies (participiumconstructies).
Zie ook het artikel van Frank Jansen in Tekstblad 1996 (3), "Over de diachronie van het functionele genre 'kookrecept'. Men neme."
 
En daarna volgt de reconstructie van het recept. Een recept dat technisch moet kloppen, met ingrediënten waarmee ieder mee aan de slag kan gaan. Zoals hier met snoekbaars, want snoek is niet makkelijk verkrijgbaar.
(foto: Eric van Veluwen)


vrijdag 11 juli 2014

Summer School UvA 28 augustus 2014: tafeletiquette

Deze zomer verzorg ik wederom een lezing met workshop voor de Summer School van de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam.

Het onderwerp is dit jaar: Tafeletiquette door de eeuwen heen.

Datum, tijd en plaats: donderdag 28 augustus, 13.30  – 16.30 uur, Oude Turfmarkt 129, Amsterdam (Nina van Leerzaal).

Het hele programma staat op de website van de Bijzondere Collecties.

vrijdag 6 december 2013

Eten in de achttiende eeuw – 11 december in Museum aan het Vrijthof, Maastricht

Woensdagavond van 19.00-21.00 uur in Maastricht: lezing over tafelcultuur in de achttiende eeuw door Marleen Willebrands. Anderhalf uur smullen van Hollandse kookboeken uit die tijd, handschriften en egodocumenten: de gerechten, suikerwerken als tafelsieraad en tafeletiquette.
En daarna bijzonderheden over het Maastrichtse kookschrift van Marie Michon en Thèrése de Milly van rond 1800. Ook over hun recepten om textiel te verven met natuurlijke kleurstoffen.
Aankondiging van Museum aan ‘t Vrijthof: http://www.museumaanhetvrijthof.nl/page.aspx?id=535

zondag 7 juli 2013

Summerschool UvA 2013: Van queecruyt tot membrillo

Dit jaar geef ik voor de derde keer een workshop voor de Summerschool Boekgeschiedenis van de Universiteit van Amsterdam. Het gaat deze zomer over de geschiedenis van bepaalde keukenrecepten.

Titel:  Van queecruyt tot membrillo. De evolutie van keukenrecepten door vier eeuwen heen, 1500–1900
Docent: culinair historica Marleen Willebrands
Datum: donderdag 29 augustus 2013
Tijd: 13.30 – 16.30 uur
Plaats: Regentenkamer, Bijzondere Collecties, Oude Turfmarkt 129, Amsterdam
Kosten: € 50 (Vrienden van Bijzondere Collecties € 25)

Het hele programma van de Summerschool Boekgeschiedenis is te downloaden via de website van Bijzondere Collecties.


vrijdag 28 juni 2013

Gans op de dis

Nederland is een ganzenland. Maar er zijn er teveel van. De vogels brengen schade toe aan natuur- en landbouwgebieden, en zorgen voor overlast in het vliegverkeer. In veel delen van het land kampen we met een ganzenoverschot. Er moeten ganzen geschoten worden. Dat is vastgelegd in het Ganzenakkoord tussen provincies en natuurorganisaties. In totaal moet er de komende jaren een half miljoen ganzen worden gedood.

Wat doen we met die ganzen? Opeten natuurlijk. Het is gezond, duurzaam vlees, en niet duur. Als je een hele gans koopt, dan kun je er een paar dagen van eten met zijn tweeën. Vanwege mijn maandelijkse radiopraatje op L1  ('Het Balkon'), dit keer over het eten van gans, maakte ik gisteren diverse gerechten met gans: rosbief van de ganzenborsten, de poten liet ik konfijten, en van het karkas trok ik een bouillon voor fond of soep. Zo’n vogel fileren is eenvoudig. Bekijk op YouTube een filmpje daarover.

Rosbief van wilde gans (recept van Arjan Smit, De Pronckheer)
Ingrediënten
- 2 wilde ganzenborsten
- peper en zout

Bereiding
Snijd de borsten van het karkas en kruid ze met peper en zout. Leg ze rauw op een rooster in een oven van 70 graden en gaar ze in twee uur rosé. Door het drogingsproces in de oven krijgt de gans een korstje en blijft aan de binnenkant mooi sappig. Snijd de gans op een snijmachine in dunne plakken en serveer chutney erbij.

Ganzenbouten konfijten
Ingrediënten
- 2 ganzenbouten of meer
- pekelzout (slager) of zeezout
- flinke pot ganzenvet of eendenvet
- olijfolie (indien nodig)
- peperkorrels, jeneverbes, knoflook, laurier

Bereiding
Leg de bouten 24 uur in een pekelbad van 15 g pekelzout en 1, 5 liter water. Pekelzout bestaat uit zout, suiker en salpeter, en dringt beter in het vlees door dan gewoon zout. Spoel na het pekelen het zout eraf en droog de poten. Smelt het vet op laag vuur. Leg de ganzenboutjes in een lage pan, bedek ze met het vet en vul – indien nodig – het vet aan met olijfolie, zodat de boutjes onder staan. Doe erbij de gekneusde peperkorrels, jeneverbessen, schijfjes knoflook en laurier. Laat de boutjes garen in de oven van 80 graden of op een plaatje op zacht vuur gedurende drie tot vier uur. De poten zijn gaar als het vet helder en doorzichtig is geworden. Bak de poten eventueel in eigen vet even aan voor de kleur en een krokant korstje.

Veel mooie recepten met gans zijn te vinden in de brochure Ganzenbord (pdf).

zondag 9 juni 2013

Vlierbloesempap anno 1593

Ik fietste vanmiddag door het landschap, en genoot van het late voorjaar. Overal bloeiende vlier, een boom of struik met fraaie bloesem en indringende, zoete geur. Geuren maken herinneringen los. De geur van vroeger.

Met die vlierbloesem kun je erg lekkere dingen maken in het voorjaar en in het najaar. Bekend is de vlierbloesemsiroop, van de bessen in het najaar.

We duiken in de oude recepten voor het voorjaar: de vlierpap uit het Coc-boeck van Carolus Battus ofwel: Karel Baten uit 1593!
Zie ook mijn transcrptie van dit unieke kookboek: het eerste Nederlandstalige kookboek dat ook in echt in Nederland is gedrukt, te weten in Dordrecht in 1593. Zie mijn website http://www.kookhistorie.nl/cb/index_cb.htm


Om vlyer-pap te maken (Coc-boeck, Dordrecht 1593)
Neemt soetemelck ende vlyerblommen, sietse
een weynich op, ende laetse dan door eenen stre-
mijn [zeef] loopen, maket so seer smakende na de blom-
me alst u belieft, doeter dan tarwen blomme in,
na dat ghyt dicke begeert, latet so tsamen sieden,
ende roeret wel om, wildy, ghy meuchter wel suyc
ker ende cruyt by doen.


Ingrediënten (1 portie)
-          2 dl volle melk
-          vers geplukte vlierbloesem
-          1 afgestreken eetl. bloem
-          ca. 3 eetl. suiker

Bereiding
Breng de melk met de vlierbloesem aan de kook; laat op zacht vuur even trekken. Zeef de melk en doe terug in de pan. Maak een papje van bloem en wat melk of water. Breng de melk weer aan de kook en roer het bloempapje erdoorheen, zodat de vloeistof bindt. Voeg suiker naar smaak toe.

Vlierpap uit de vijftiende eeuw
Een oudere, vijftiende-eeuwse versie van deze pap komen we tegen in het Zuid-Nederlandse handschrift Gent KANTL 15, waarvan Willy Braekman in 1986 een deel van de tekst bezorgde. Christianne Muusers is bezig met een uiterst zorgvuldige transcriptie van dit handschrift. Hieronder volgt haar bewerking van de ‘vliermoes’, een pap die gebonden wordt met eidooier, en waarin saffraan zorgt voor een gele kleur.

Vlierden moes (Gent KANTL 15, deel 2, nr.13, 15e eeuw)
Totten vlierden moes neemptmen bloemen van vlier als
zy staen in hueren besten bloem ende brect dan met zuete
melck ontwee ende slaetse duer een herre dan met doeyeren
van eyeren ende sofferaen ontwee gebroken dat menget te
samen ende laetet zieden dan dicke genoch.

zondag 17 februari 2013

Warm eten in de zeventiende eeuw

Vandaag te gast bij de VPRO bij het radioprogramma OVT.  Dat was naar aanleiding van een artikel dat we hebben geschreven over ons Grachtengordelkookboek. Dat artikel staat in het februarinummer van Ons Amsterdam. Een special over 400 jaar Amsterdamse grachten.

We hadden maar weinig tijd om te vertellen: ruim 10 minuten. Ik aarzelde op een gegeven moment bij mijn antwoord op de vraag wat mensen in de zeventiende eeuw aten. Daar is veel over uit te leggen. Het hangt er ook maar vanaf: welke maaltijd, welke sociale klasse (wie) en bij welke gelegenheid (wanneer).
Hier volgt een korte toelichting, waarin ik me beperk tot de dagelijkse warme maaltijd van de gegoede burgerij. De recepten voor die maaltijden zijn te vinden in het zeventiende-eeuwse Amsterdamse kookboek De verstandige kock (1669).

De warme maaltijd
In de zeventiende eeuw bestond de warme (middag)maaltijd van de gegoede burgerij meestal uit twee, soms drie gangen. In hogere kringen begon men de maaltijd met een koude of lauwe salade, bereid uit diverse rauwe of gekookte fijne groenten. De eerste gang kon ook bestaan uit een potagie, een soort dikke met brood gebonden soep.
Daarna volgde het hoofdgerecht met één of twee vlees- of visgerechten, eiergerechten, meelspijzen, soms aangevuld met één of twee potspijzen. Vers vlees was duur. Bij alle gangen werd brood gegeten. Aardappelen at men toen nog niet. Die werden pas in de achttiende eeuw gemeengoed.
Als ‘nagerecht’ at men meestal brood, kaas en boter, met daarbij soms noten. Het zoete toetje is van latere datum. Daarnaast konden op zon- en feestdagen allerlei soorten rauwe, gestoofde of gedroogde vruchten op tafel komen met daarbij gesuikerde specerijen zoals kaneel en anijs, en zoet gebak. Bij de maaltijd van de gegoede burgerij werden bier en wijn gedronken.

Kweeperensnoepjes
Tijdens de uitzending trakteerden wij op kweeperensnoepjes. Het originele recept en het bewerkte recept zijn te vinden op mijn website Kookhistorie.nl, bij recepten van De verstandige kock